dinsdag 1 oktober 2019

OVER DAGBOEKEN






Dagboeken hebben met altijd geïntrigeerd, al van jongs af aan. Vooral dan de dagboeken van bekende auteurs over de hele wereld. In de loop der jaren verzamelde ik er enkele exemplaren van en las ze met tussenpozen, steeds opnieuw, want de informatie erin is zo verscheiden en complex, dat herlezen nooit saai wordt.



Mijn eerste verzameling dagboeken was die van Hans Warren. Tot aan zijn dood heb ik ze gevolgd, twintig dagboekdelen, uitgegeven bij Bert Bakker in Nederland. Toen kwam de Privé-domein reeks aan de beurt, waarin een schat aan egodocumenten en dagboeken te vinden waren. Het ene dagboek bracht automatisch het andere met zich mee, waardoor ik kennis nam van o.a. Paul Léautaud, Virginia Woolf, Thomas Mann, Georges Simenon, Jules Renard, Edmond & Jules de Goncourt, Belle van Zuylen, Witold Gombrowicz, Cesae Pavese, Gide en nog vele, vele anderen.



Het is mijn bedoeling hier, zonder een bepaalde volgorde in acht te nemen, te hooi en te gras over een bekende dagboekschrijver wat te vertellen, eventueel met wat parafernalia erbij.



Vandaag wil ik beginnen met Cees Buddingh’, van wie ik àlle dagboeken in mijn bezit heb, nl. “Een mooie tijd om later te worden”, “En in een mum is het avond” en tot slot, het gebonden dagboekdeel “Dagboeknotities 1967-1972” een bundeling van “Wat je zegt ben je zelf” en “Verveling bestaat niet”.



Uit zijn romans, verhalen en gedichten kon men zich een vrij goed oordeel vormen over de kwaliteiten van deze auteur die ongeveer alle vormen van literatuur heeft beoefend. Zijn alle kanten uitgaande notities, niet alleen over boeken en schrijvers, ook over schaken, voetballen, cricket, huiselijke zaken, stemming, ontstemming, waar hij van houdt, wat hij verfoeit, completeren de figuur Buddingh’ op hoogst persoonlijke manier.



Zijn dagboek van 1967 heeft als opening : “Er is tegelijk iets afstotends en heel roerends aan erg slechte poëzie, zoals er tegelijk iets afstotends en heel roerends is aan erg lelijke meisjes.”



Een van zijn allerbekendste gedichtjes is het volgende :



PLUK DE DAG

Vanochtend, na het ontbijt,
ontdekte ik, door mijn verstrooidheid,
dat het deksel van een middelgroot potje marmite
(het 4 oz net formaat)
precies past op een klein potje heinz sandwich spread


natuurlijk heb ik toen meteen geprobeerd
of het sandwich spread-dekseltje
ook op het marmite-potje paste


En jawel hoor: het paste eveneens.



Ergens op pagina 138 van “En in een mum is het avond”, volgende passage :

“De jonge merels zijn alle vier – het bleken er vier te zijn – dood. De hele week hadden we vader en moeder af en aan zien vliegen en Sam (de huiskat) angstvallig binnengehouden, maar toen ik gisteren na twee dagen Amsterdam weer om half acht thuiskwam zei Stientje dat ze een vreemde grijze kat achterin de tuin had zien scharrelen en dat hij al een keer geprobeerd had in de roos te klimmen, die tegen de voorkant van het schuurtje aangroeit, om zo bij het nest te komen. Nadat ik thuis was heeft ze hem zeker nog vijf keer weggejaagd en we waren van plan vanochtend een stuk kippengaas te kopen en dat ter bescherming boven het huisje te bevestigen. Maar vanochtend voor negenen stak Wiebe, die zich er kennelijk ook erg ongerust over gemaakt had (hij was laat thuisgekomen van een feestje waar hij voor het eerst pils had gedronken, meteen maar liefs vijf stuks, zodat ik dacht dat hij wel een gat in de ochtend zou snurken), zijn hoofd om de hoek van onze slaapkamer en zei: “Het huisje ligt helemaal op de grond en de jongen zijn dood.” De grijze kat moet er toch in geslaagd zijn op het dak van onze schuur te komen en vandaar op het vogelhuisje zijn gesprongen, dat toen onder het gewicht is bezweken. Maar zelf was hij er waarschijnlijk ook zo van geschrokken dat hij de vogeltjes niet eens aangeraakt had. Het is wel triest, al heb ik er geen flauw idee van in hoeverre een dergelijk verlies van hun kroost tot de vader en moeder doordringt. Misschien is het wel het voorrecht van ‘hogere wezens’ om verdriet te kunnen voelen.”


***


In het tijdschrift Maatstaf van 1982 kwam een publicatie over dagboeken. Daar werden de volgende auteurs onder de loep genomen : Søren Kierkegaard,  Max Frisch, August Graf von Platen, Harold Nicolson, Henry David Thoreau, Edmond & Jules de Goncourt, Marcel Jouhandeau, Anna G. Dostojevskaja, Friedrich Hebbel, Lodewijk van Deyssel, Edmund Wilson, K.P. Kavafis, Tolstoj en Richard Crossman. Van al deze auteurs werden enkele bladzijden uit hun dagboeken gepubliceerd.

Als inleiding schreef Simona Brolsma “Dagboeken, een verkenning”. Hieruit volgend excerpt :

“Men is unaniem van mening, dat het eerste moderne dagboek geschreven werd door Samuel Pepys (1633-1703): ‘The Diary of Samuel Pepys’, 1660-1669, gepubliceerd in 1825. Tot de voorlopers worden gerekend : de talrijke Engelse ‘journals of conscience’ (meestal vanuit een religieuze aandrang geschreven) en enkele vroege particuliere journaals, b.v. die van de schilders  Dürer en Pontormo, van de Zwitser Casaubonus en van twee zgn. ‘burgers van Parijs’.


De Franse revolutie is de mijlpaal voor de algemene bloei van het moderne Europese dagboek. Daarvoor zijn verschillende verklaringen mogelijk. 


De dagboekcultuur is een typisch ‘burgerlijk’ fenomeen, verbonden met het zich langzaam ontwikkelend zelfbewustzijn van de bourgeois. De (burgerlijke) schrijfcultuur van (West) Europa bereikt haar eerste hoogtepunt omstreeks 1800; het ‘stillezen’ is volgens Didier een absolute voorwaarde voor het ontstaan en de hausse van de zgn. intieme journaals in de negentiende eeuw : ‘Deze manier van lezen, die ons zo normaal lijkt, zo alledaags banaal, is in feite geografisch en historisch bepaald. In de Arabische talen, waar de klinkers niet zijn aangegeven, is luid of halfluid lezen bijna een vereiste, om, door de klinkers uit te spreken, de tekst zijn volle betekenis te geven. In het Westen, in de middeleeuwen of in de zestiende eeuw, is het stillezen nog niet helemaal een feit. Op het platteland was dat nog voor kort het geval. Het volstrekt stillezen en het ontstaan van het “journal intime” valt samen met de opkomst van de geïndustrialiseerde, kapitalistische samenleving. 

De gewoonte, om een journal intime te voeren doet zich voor in de gebieden en in het tijdperk van het stillezen. 


Het journaal is het oord voor een ‘zekere geheimhouding’. Het eigen dagboek of dat van een ander wordt niet hardop gelezen.’


Waarschijnlijk is dat ook de verklaring voor het ontbreken van een typisch burgerlijke, introspectieve dagboekcultuur in de VS of in Japan tot laat in de negentiende eeuw, toen deze en andere landen meer contact kregen met de Europese literaire ontwikkelingen.

§


Maarten ’t Hart :


Slechts de schaarse dagboeken die in het aangezicht van de dood zijn ontstaan, bijvoorbeeld “The Journal of a disappointed man” en “A last diary” van W.N.P. Barbellion lijken authentiek, maar zelfs de dood is niet altijd een garantie voor de oprechtheid want ik ben ervan overtuigd dat Alice James zich in haar dagboek – dat met recht in het aangezicht van de dood ontstond – veel vrolijker voordeed dan zij in werkelijkheid was.

Een goed criterium voor de oprechtheid van een dagboek is misschien die je een hekel aan de auteur ervan moet krijgen. Iemand die ja al lezend gaat haten, kan zich in ieder geval niet beter voordoen dan hij of zij is. Dagboekschrijvers die ik gaandeweg ben gaan verafschuwen zijn Virginia Woolf, Evelyn Waugh, Pieter van der Meer de Walcheren, Anaïs Nin en Friedrich Hebbel. Maar Hebbel deed zich misschien wel met opzet zo onaangenaam voor.

Nee, ik geloof volstrekt niet dat wij meer kans hebben de ‘vent’ (c.q. de ‘griet’) tegen te komen in dagboeken en brieven dan in verhalend proza zoals Ter Braak en Du Perron beweerden. Met Hermans ben ik van mening dat een auteur veel meer van zichzelf prijs geeft, en ook kan prijsgeven, in romans en verhalen. Voeg daaraan toe dat het bijhouden van een dagboek een nogal ijdele aangelegenheid is, en men zal begrijpen dat ik het dagboek dat ik van 1962 tot 1972 heb bijgehouden bij mijn laatste verhuizing samen met enig tuinvuil verbrand heb. Weg met alle dagboeken !


§


De dagboeken van Soren Aaybe Kierkegaard.


Kierkegaards dagboeken en aantekeningen – twintig dikke delen, twee aanvullende delen van Thulstrup en één supplement van Thulstrup, waarbij dient aangetekend dat zelfs nu nog niet alles gepubliceerd is – kunnen bij elkaar nog geen aanspraak maken op de kwalificatie ‘langste dagboek uit de wereldliteratuur’ (het dagboek van Amiel is veel omvangrijker), maar als het in quantitatief opzicht niet het grootste dagboek is, dan is het dat wellicht toch in qualitatief opzicht. De ongeëvenaarde rijkdom van ideeën, de overrompelende zeggingskracht van zijn altijd beeldrijke, spirituele, geestige, soms helaas wat wijdlopige stijl, zijn onverschrokken afkeer van de natuurwetenschap, de ontroerende uitlatingen over God en Regina, Jezus en bisschop Mynster, en de vaak schokkende, onthutsende uitlatingen over zijn vader en zichzelf, maken dat men het met verbijstering leest. In zeker opzicht leest men het niet, maar men gaat ermee om, als met de bijbel: men bladert erin, men neemt het jarenlang telkens weer uit de kast om gedeelten te herlezen. Het is alsof men een geliefde in de boekenkast heeft staan. Walter Lowrie noemde Kierkegaard in zijn biografie over hem ‘de grootste van alle dagboekschrijvers’. De beide Arbaugh’s zeggen in hun waardevolle overzicht van het œuvre  van Kierkegaard dat ‘zelfs voor de terloopse lezer de dagboeken een openbaring vormen’ en dat het ‘ontroerende en provocatieve werken zijn die enerzijds vergeleken kunnen worden met de Belijdenissen van Augustinus en anderzijds met de uitlatingen van Nietzsche’. Hayo Gerdes merkt in zijn voorwoord bij de Duitse uitgave van de dagboeken op – en dat geeft er mijns inziens een juiste kijk op – dat er ‘nauwelijks een auteur is in de wereldliteratuur die ons zo diep in zijn innerlijk naar binnen laat kijken, maar anderzijds ook niemand die met een vergelijkbare beslistheid de uiterlijke feitelijkheid in de innerlijke waarheid oplost’.



§



Gerda Meijerink : Het verzwegen leven, de dagboeken van Max Frisch en het geheim van het Journal intime.


Het dagboek neemt wel een heel bijzondere plaats in in het werk en het leven van Max Frisch. Niet alleen was het dagboek Blätter aus dem Brotsack, dat Frisch onder invloed van de angst voor een mogelijke bezetting van Zwitserland als soldaat in 1939 schreef, het eerste boek waarmee hij enig succes boekte en waarmee hij een eigen stijl vond, met het volgende Tagebuch1946-1949 lukte het hem om zowel een zeer opmerkelijke vorm voor een dagboek te ontwikkelen – het zgn. literaire dagboek waarin naast gebruikelijke notities en reflecties ook fictionele teksten voorkomen – als ook om een van de belangrijkste getuigenissen van een tijdgenoot te schrijven die de Duitse literatuur in de jaren na de oorlog heeft voortgebracht. Met dit dagboek zet de grote creatieve periode van Max Frisch in, waarin de romans Stiller, Homo Faber en Mein Name sei Gantenbein ontstaan en toneelstukken als Andorra, Herr Biedermann und die Brandstifter, Don Juan oder die Liebe zur Geometrie en Biografie. Het is ook weer een dagboek waarmee Frisch zijn belangrijkste creatieve periode afsluit, het Tagebuch 1966-1971 dat volgens dezelfde principes als het eerste grote dagboek is geschreven, met een indrukwekkende variatie aan vormen, motieven en thema’s, maar dat ook kenmerken van afsluiting vertoont, van rekening en verantwoording van een leven. Met het Tagebuch 1966-1971 wijst Max Frisch vooruit naar zijn ‘Alterswerk’, naar Montauk, Der Mensch erscheint im Holozän en het recente Blaubart, verhalen waarin de thema’s resignatie, ouderdom en dood, die in het dagboek nog ironisch omspeeld worden, terugkeren.

§



MAX FRISCH

Dagboek 1966-171



Meeslepend zelfonderzoek van een individu tegen de achtergrond van de politieke gebeurtenissen in de late jaren zestig.



  • Notities, verhalen en reportages, analyses en vragenlijsten, reisverslagen en herinneringen vormen in dit dagboek een tijdsbeeld van een bewogen periode. (…) De zeer goede vertaling is van Hans Hom – Nieuwsblad van het Noorden.
  • Dagboek 1966-1971 is een allesbehalve losse aaneenschakeling van notities en gruwelijk overtuigende inzichten. Het is een hecht doortimmerd geheel, een enorme uitdaging voor de lezer die niet alleen maar wil consumeren maar bereid is zichzelf aan de impulsen van dit dagboek uit te leveren. Vrij Nederland.



Van Max Frisch verschenen eerder bij Meulenoff de romans Gantenbein, Homo faber, Stiller en de vertellingen Montauk en De mens treedt op in het Holoceen.



328 blz. f 49,50 – Vertaald door Hans Hom.



Meulenhoff Amsterdam.



***


DE DAGBOEKEN VAN HAROLD NICOLSON.





Harold Nicolson (1886-1968) besloot op 1 januari 1930 een dagboek bij te houden: ‘Ik tik het op losse vellen en dan laat ik het binden. Eens kijken hoe dat werkt.’



De beslissing hing samen met een andere van veel ingrijpender aard. Eind 1929 besloot Nicolson zijn succesvolle diplomatieke carrière, die twintig jaar had geduurd en die binnen afzienbare tijd met een belangrijke ambassadeurspost en later misschien zelfs met het ministerschap van buitenlandse zaken bekroond zou worden, te verruilen voor een loopbaan in de journalistiek. Hij ging de rubriek ‘The Londoner’s Diary’ in de Evening Standard verzorgen. Dit afscheid van de diplomatie had vele oorzaken.



In toenemende mate had Nicolson een afkeer van zijn diplomatieke bezigheden ontwikkeld. Het saaie werk, de vervelende sociale plichten en plichtplegingen, het geografisch isolement, het geringe salaris, het ging hem steeds meer tegen staan.



Daarnaast vermoedde hij, dat zijn superieuren op grond van zijn homoseksualiteit zijn carrière belemmerden en dat hij daardoor ondanks zijn geschiktheid  daartoe nooit de top zou bereiken. Dit vermoeden lijkt op gespannen voet te staan met een tweede zwaarwegende reden voor Nicolsons beslissing. De instandhouding van zijn huwelijk stelde hij boven het voortzetten van zijn diplomatieke carrière. Het mysterie van het huwelijk tussen Harrold Nicolson en de schrijfster en dichteres V. Sackville-West is te groot dan dat ik er in dit korte bestek op zou kunnen ingaan. Het moet voldoende zijn vast te stellen, dat deze verbintenis tussen partners, die beiden veel meer homoseksueel dan heteroseksueel waren door tijdgenoten als één van de meest succesvolle uit de geschiedenis werd beschouwd – juist omdat alle geaccepteerde regels van het orthodoxe huwelijk doorbroken werden.



Aan het eind van de jaren twintig, toen Nicolson als tweede man op de Berlijnse ambassade werkte, maakte V. Sackville-West hem duidelijk, dat zij hem bij een hernieuwd langdurig verblijf buitenslands niet zou volgen, terwijl anderzijds een dergelijke scheiding voor haar in de meest letterlijke zin ondraaglijk zou zijn. Voor Nicolson gold op zijn beurt hetzelfde en dus gaf hij zijn diplomatieke carrière op. Maar deze drastische beslissing werd niet alleen op grond van negatieve overwegingen genomen. Nicolson verwachtte er ook aanzienlijke voordelen van. Hij zou de vrijheid verwerven om zich in het politieke bedrijf te storten en hij zou meer tijd krijgen om zich aan zijn literaire activiteiten te wijden. In de jaren twintig had hij enige naam gemaakt met literaire biografieën van Verlaine, Tennyson, Byron en Swinburne. Daarnaast had hij een roman en een bundel fictieve biografische schetsen gepubliceerd. Het vertrouwen, dat zijn vrouw en zijn Bloomsbury vrienden Virginia en Leonard Woolf in zijn literaire capaciteiten stelden, zal sterk bijgedragen hebben tot Nicolsons beslissing een streep onder zijn diplomatieke carrière te zetten.



***


OMWILLE VAN DE WAARHEID : HET DAGBOEK VAN EDMOND & JULES DE GONCOURT.



Edmond en Jules de Goncourt hebben meer dan twintig jaar samengewerkt. In die tijd heb­ben zij romans geschreven en toneelstukken, historische studies en kunstkritieken. De sa­menwerking was bijzonder hecht en het resul­taat vormde een sterke eenheid. Het is zelfs voor de grootste.



Goncourt-kenners niet moge­lijk om op grond van tekstkritiek vast te stellen wat door wie geschreven is. Ook de dagboeken zijn voor een groot gedeelte het resultaat van die samenwerking.



Eind 1851 besloten de toen negenentwintigja­rige Edmond en zijn acht jaar jongere broer om een verslag bij te houden van hun ontmoetin­gen met kunstenaars en schrijvers. Tijdgenoten hebben later verklaard dat dit verslag histo­risch volstrekt betrouwbaar was. Maar ook de waarheid is niet altijd even aangenaam. Boven­dien waren de gebroeders vaak buitengewoon scherp, om niet te zeggen vernietigend in hun oordelen. Dat alles kwam echter pas later aan de dag. De eerste tientallen jaren vermoedde niemand dat er na afloop van de salonbijeenkomsten en diners thuis nog een dagboek op de Goncourts lag te wachten.



Met grote regelmaat hebben Edmond en Jules deelgenomen aan de diners in het restaurant Magny, diners die ook werden bezocht door Gautier, Sainte-Beuve, Flaubert, Renan, Toergenjev, Berthelot en George Sand. Maar nog belangrijker voor de dagboeken waren de weke­lijkse Salons van prinses Mathilde. Zij was een dochter van Jeróme, de broer van Napoleon 1, en dus een nicht van Keizer Napoleon lil, die immers een zoon was van een andere broer van

Napoleon 1, Lodewijk. De Salon die zij hield in Saint-Graden, aan het meer van Enghien, stond bekend als een van de meest briljante van het Tweede Keizerrijk.



In 1870 overlijdt Jules aan de gevolgen van een twintig jaar eerder opgelopen syfilis. De klap voor Edmond is enorm. De broers waren bei­den ongetrouwd gebleven en zij voelden zich geheel op elkaar aangewezen. Aanvankelijk wil Edmond het dagboek niet voortzetten. Jules was degene die meestal opschreef waarover zij het beiden eens waren geworden, zoals ook uit het handschrift blijkt. Edmond keek daarbij over zijn schouder mee. Hierdoor wordt dus de ik-vorm verklaard die, ook vóór 1870, regelma­tig in het dagboek wordt gebruikt. Later be­sluit Edmond toch het dagboek weer op te ne­men, allereerst om er het verslag aan toe te ver­trouwen van Jules’ ziekte en overlijden. Hij zal er de rest van zijn leven mee doorgaan.



De moeilijkheden rond de publicatie van het dagboek vormen een hoofdstuk apart. In 1886 besluit Edmond, op aandringen van zijn vriend Alphonse Daudet, die hij van het bestaan van het dagboek op de hoogte heeft gebracht, tot gedeeltelijke openbaarmaking over te gaan. Na een voorpublicatie in de Figaro in 1886, ver­schijnt een jaar later het eerste deel in boek­vorm. Tot in 1896, het jaar waarin Edmond overlijdt, worden er regelmatig nieuwe afleve­ringen gepubliceerd. In totaal verschijnen er ne­gen delen. Hoewel het een gekuiste versie be­treft, die door Edmond ‘la vérité agréable’ wordt genoemd, komen er toch verschillende protesten. Renan is tegen publicatie, prinses Mathilde is er niet gelukkig mee en in de jaren negentig protesteert zelfs Alphonse Daudet, die Edmond toch tot de uitgave van het eerste deel had overgehaald.



Wat Edmond ‘la vérité absolue’ noemt, zal pas in de volledige versie van het dagboek te vinden zijn. Volgens zijn testament mag de uitgave dààrvan echter pas twintig jaar na zijn dood plaatsvinden. In hetzelfde testament bepaalt Edmond dat zijn vermogen zal gaan naar een op te richten ‘Académie Goncourt’. Deze wordt gevormd door tien schrijvers die een jaarlijkse vergoeding ontvangen van zesduizend francs. Eén van hun taken is om elk jaar een literaire prijs uit te delen ten bedrage van vijfduizend francs. Problemen met de erfgenamen zijn er de oorzaak van dat de Académie Goncourt pas in 1903 kan worden opgericht. Als in 1916 de door Edmond gestelde termijn verstreken is, blijkt dat een periode van twintig jaar te kort is. Te veel mensen zijn nog in leven. In 1935-’36 verschijnt een editie van het dagboek in negen delen.  Het is een herdruk van de tijdens het leven van Edmond verschenen uitgave. Het predikaat ‘édition définitive’ dat op deze herdruk prijkt, is dus nogal misleidend. De volledige uitgave ziet pas het licht van 1956 tot 1959. In opdracht van de Académie Goncourt zijn daarin slechts enkele eigennamen niet vermeld.



***


HET DAGBOEK VAN  W.N.P. BARBELLION : “DAGBOEK VAN EEN TELEURGESTELD MAN”


‘Jij zou medelijden met me hebben, nietwaar? Ik ben eenzaam, plat­zak, verlamd en net achtentwintig. Maar ik knip met mijn vingers in je gezicht en met een zelfde arrogantie heb ik medelijden met jou. Ik heb medelijden met je rimpelloze geluk en de bewegingloze sereni­teit van je geest. Ik prefereer mijn eigen kwelling. Ik ben stervende, maar jij bent al een lijk. Jij hebt nooit echt geleefd. Jouw lichaam is nooit geranseld totdat het tintelt van leven door een hopeloos ver­langen om te beminnen, te weten, te handelen, te slagen.’


Zo richt W. N. P. Barbellion, die in 1919 op dertigjarige leeftijd overleed, zich tot de lezer. De dagboeken van Barbellion zijn wrang, groots, aangrijpend. Ze zijn ontsproten aan het brein van een man die door het leven getreiterd werd, een man wiens wanhopig vitalis­me en grote ambities voortdurend door een slechte gezondheid ge­fnuikt werden. Zijn dagboek werd het levenswerk dat hij de wereld wilde nalaten.


Bruce Frederick Cummings, zoals Barbellion werkelijk heette, gaf al jong blijk van een fanatieke belangstelling voor de natuur, en het eerste deel van de dagboeken staat in het teken van deze passie. Zijn Londense periode wordt gekenmerkt door een geleidelijk afta­kelende gezondheid - hij lijdt aan een speciale, zeldzame vorm van multiple sclerose- en steeds grotere eenzaamheid. Hij zwerft door de straten, ligt ziek op zijn huurkamer en smacht naar vrouwelijk gezelschap. Uiteindelijk wordt zijn liefde voor Eleanor Benger be­antwoord. Haar onvoorwaardelijke liefde staat centraal in het laatste deel van het dagboek. In een plaatsje vlak bij Londen slijt Barbellion zijn laatste levensdagen, tegen het einde bijna totaal verlamd.


* De jonge natuurvorser in deze joumaalachtige herinneringen is zich op tragische wijze bewust van een tergend traag naderende dood die de snel geringer wordende genietingen van het leven op waanzinnig makende wijze intensiveert.-H. G. Wells

***


HET GENEEFSE DAGBOEK VAN ANNA G. DOSTOJEVSKAJA – 1867.

(Door Charles B. Timmer).



Op 14 april 1867 waren F.M. Dostojevski en zijn jonge vrouw Anna Grigorjevna, met wie hij twee maanden tevoren in het huwelijk was getreden, naar het buitenland vertrokken.  Het was niet een ‘huwelijksreis’ in de gebruikelijke zin van het woord, men kon eerder spreken van een ‘vlucht’ uit Petersburg voor de hebzucht van schuldeisers.



De toen eenentwintigjarige Anna Grigorjevna had aan haar in Petersburg achterblijvende moeder beloofd dat zij dagelijks notities zou schrijven over alle wetenswaardigheden en indrukken van het leven in West-Europa. En ter inleiding op haar ‘dagboek’ schreef Anna Grigorjevna :



‘Op het station kocht ik al een aantekenschrift, waarin ik van de volgende dag af alles zou noteren wat mij boeide en bezig hield. Met dit aantekenboekje zijn mijn dagelijkse stenografische notities begonnen die ik ongeveer een jaar lang heb volgehouden tot er zich in mijn leven belangrijker zaken voordeden, namelijk de geboorte van ons oudste dochtertje, Sonja.’ (Uit: Dagboek van A.G. Dostojevskaja  Moskou 1923.)



Zo vulde zij een aantal schriften met een ‘journaal’ – en in 1923 zou er een gedeelte van worden gepubliceerd onder de titel Dagboek van A.G. Dostojevskaja, als een wat verlate herdenking van Dostojevski’s geboortedag honderd jaar geleden, in 1821. Dit dagboek bevatte de notities van dag tot dag over haar verblijf ‘in het buitenland’, dat wil zeggen, in Dresden, Baden-Baden en andere plaatsen in de periode van 14 april 1867 tot 12 augustus van dat jaar. Een tweede gedeelte van het dagboek, dat de tijd van augustus tot begin 1868 bestreek en dat betrekking had op het verblijf der Dostojevski’s in Genève, bleef ongepubliceerd, om de eenvoudige reden dat niemand het steno, waarin alle dagboeken waren geschreven, kon lezen. Anna Grigorjevna was in 1918 overleden. Omstreeks de eeuwwisseling was zij begonnen aan het ontcijferen van haar dagboeken en daarmee was zij in de winter van 1911-’12 gevorderd tot 12 augustus 1867. Daarna heeft ze er niet meer aan gewerkt. Het onuitgewerkte deel van haar dagboek was bij haar dood een geheimschrift, waar niemand de sleutel op had.



In 1902, dus eenentwintig jaar na de dood van Dostojevski, had Anna Grigorjevna in een cahier de volgende tekst neergeschreven die als een ‘laatste wilsbeschikking’ klonk : ‘En cas de ma mort ou d’une maladie grave’ – zo begint zij bij wijze van titel en vervolgt dan :



‘Over de door mij in steno geschreven aantekenboekjes.



Onder de aantekenschriften die ik nalaat bevinden zich twee-drie-vier die in steno zijn geschreven. Zij behelzen mijn dagboek dat ik na onze aankomst in 1867 in het buitenland een anderhalf jaar lang  [sic] heb bijgehouden. Een gedeelte ervan heb ik een paar jaar geleden uitgewerkt in schriften die nu in een brandkast van het museum liggen. De overige schriften verzoek ik te vernietigen, daar er wel nooit iemand gevonden zal worden die in staat zal zijn het steno in gewoon schrift over te brengen. Ik heb veel zelfbedachte afkortingen gebruikt met het gevolg dat degenen die zich aan de ontcijfering zet grote kas loopt fouten te maken en een verkeerde tekst te leveren. Dit ten eerste. En ten tweede zou ik heel ongaarne zien dat vreemden zich in het intieme leven van Fjodor Michajlovitsj en mij gingen verdiepen. Vandaar dat ik met klem verzoek alle stenografische schriften te vernietigen.’



***

DE DAGBOEKEN VAN MARCEL JOUHANDEAU.
Door Ehtel Portnoy.


Op ’n dag, het moet in 1926 zijn geweest, vroeg de Princesse de Bassiano mij of ik ervoor zou voelen om voor Commerce een studie over Suares te maken. Ik kende Suares, het ging om de Spaanse jezuïet, een befaamd theoloog. Ik zei dat niet alle werken van Suares in mijn bezit waren. ‘Oh’ antwoordde de Princesse, voor wie niets onmogelijk was, ‘dat geeft niets, ik laat het van de week wel bij u bezorgen.’ Kort daarna, rond het middaguur, verscheen een kleine bultenaar aan de deur. Ik bewoonde destijds 27, bd. De Grenelle twee piepkleine kamertjes op de zevende verdieping, en er was geen lift. ‘Monsieur, ik kom in opdracht van boekhandel Dorbon, om op verzoek van de Princesse de Bassiano bij u af te leveren 240 in-quarto’s die beneden in mijn handkar liggen.’ ‘Tweehonderd veertig delen ?’ ‘Ja, Monsieur, en ik ben nog lang niet jarig, want ik zal hiervoor minstens 50 keer uw 140 treden op en neer moeten… Desondanks heb ik geen seconde getwijfeld de gevolgen van dit avontuur te aanvaarden.’

Ik zelf ook niet, nadat ik lichtzinnig had toegezegd om de dagboeken van Marcel Jouhandeau op me te nemen, en er vervolgens achterkwam dat het om zesentwintig delen ging.

Niettemin heb ik ze met veel plezier gelezen, steeds meer aan hem gehecht rakend, want men kan niet helpen sympathie te krijgen voor iemand die men zo goed leert kennen, die elke van zijn gedachten met je deelt, of ze nu schuin, naïef, verwaand of zielig zijn.

Het opmerkelijke van deze dagboeken is dat ze van een man zijn, die al een oeuvre van tachtig boeken achter zich had (‘het lijkt of ik mijn leven meer geschreven dan geleefd heb’) en dan doorging met de volgende zesentwintig te produceren, tussen de leeftijd van zeventig en drieëntachtig jaar, dagboeken zo levendig en gepassioneerd als die van een adolescent.

Jouhandeau genoot een uitstekende gezondheid, misschien omdat hij in een permanente staat van genade verkeerde. Hij was vastbesloten gelukkig te zijn, zelfs in de meest vreselijke omstandigheden, en misschien juist daardoor; het kenmerk van een echt gelovig iemand is immers dat hij gelukkig is, en Jouhandeau was een vroom – zij het onconventioneel – katholiek, een mysticus op zijn manier. Er wordt vaak van oude mensen beweerd dat ze week of juist hard worden, nu, het lijkt of Jouhandeau zich oplost in zachtmoedigheid, hoewel de werkelijkheid zo nu en dan doorbreekt, en dan pent hij opeens een nachtmerrie neer over hoe de dingen werkelijk zijn. Maar meestal vinden we hem aan zijn harmonium, psalmen van eigen makelij zingend, zorgend voor zijn geliefde dieren, en dagelijks kilometers lopend om de boodschappen te doen. Hij had een slank lichaam waar hij trots op was, een gezicht waar hij zich niet voor schaamde, en was altijd hevig verliefd op de een of andere jongeman. Zijn relatie met God, zijn overtuigd optimisme, en boven alles zijn intensief liefdesleven, hielden hem jong. En tegelijkertijd was deze doorgewinterde homosexueel een liefdevolle vader, een verzotte grootvader en een plichtsgetrouwe, lankmoedige echtgenoot.

Dit is geen dagboek van een schrijver in de zin van : overpeinzingen over werk in uitvoering, – het is het werk in uitvoering; maar het zou niets meer zijn dan een opeenvolging observaties, aforismen, herinneringen en opmerkingen over  la pluie et le beau temps als het niet de leidraad bevatte van een boeiende roman, van meerdere zelfs.

Ik moet echter bekennen dat ik na een poosje de passages over God begon over te slaan, en de ellenlange bladzijden over l’Amour (of zoals Montherlant het noemt: l’Hamour), pagina na pagina verheven proza vóór een rendez-vous, pagina na pagina erna, iedere keer dat Jouhandeau op een nieuwe jongen verliefd werd. Aanvankelijk is men een beetje verbaasd over waar die jongemannen dan wel vandaan komen, aangezien Jouhandeau een vrij teruggetrokken bestaan leidde; het konden toch niet allemaal bewonderaars zijn ?  Uiteindelijk komt me erachter: Jouhandeau bezocht, tot na zijn tachtigste nog, een maison-close dat beheerd werd door een zekere Madame Made, die zorgde voor een onafgebroken stroom call-boys uit de meest uiteenlopende milieus; een van de meest ingrijpende en hartstochtelijke liefdesaffaires van Jouhandeau was met een jonge misdadiger.

***